-
-
De
grijze opblekingen die zich onder invloed
van de pastelfactor reeds begonnen af te
tekenen bij voornamelijk van nature uit
sterk gemelaniseerde agaten, worden
doorgaans nog veelomvangrijker en meer
algemeen bij pastellen behorend tot de
zwartreeks.
Het hoe en waarom is aan de hand van de
tabelwaarde van F.M. Kop gemakkelijk te
achterhalen. Daaruit blijkt duidelijk dat de
hoeveelheid zwarte eumelanine als
voornamelijk de korrelgrootte bij klassieke
zwarte kanaries nog aanzienlijk groter is
(bijna het dubbele!) dan bij vergelijkbare
agaten, waardoor de kans op melanineverlies
en opbleking, na pastelinwerking, er ook
veel groter is. Natuurlijk steeds mede
afhankelijk van de kwaliteit van betrokken
vogels zelf, want ook hier geldt in de
eerste plaats het pastelprincipe:
hoe meer eumelanine voorhanden, hoe meer er
kan worden verdrongen of hoe duidelijker het
grijsvleugeleffect zich uiteindelijk kan
manifesteren!
Naast de centrale licht parelgrijzige
reducties in de grote pennen waarvan alleen
de toppen donkerder (asgrijzig) getint
blijven, zien we bij pastellen van de
zwartreeks ook, als het goed is, dezelfde
kleurreducties in de dekveren en de
contourveertjes van de rug en in mindere
mate in de flanken.
Waarom alleen de toppen van de veren
donkerder gemelaniseerd zijn dan het
centraal veergedeelte komt
hoogstwaarschijnlijk doordat de eerste
levensdagen van de vogel, of telkens wanneer
nieuwe veertopjes worden gevormd, er nog
algemeen weinig eumelanine wordt aangemaakt
en de melanocyten bijgevolg meer tijd nodig
hebben om onder invloed van de pastelfactor
tot oververzadiging te komen en zichzelf te
vernielen. We zien dat ook bij de
melaninevoorziening van de ogen die
eigenlijk op dezelfde vertraagde wijze
gebeurt, waarbij de oogkleur gedurende de
tijd dat de oogmelanocyten nog te weinig
eumelanine bevatten er lichter getint
uitzien om na enkele dagen geleidelijk aan
hun uiteindelijke (donkerste) kleur te
bereiken … en te behouden, want
oogmelanocyten zijn in tegenstelling tot
veermelanocyten nooit aan vervanging toe,
dit ter illustratie.
De pastelwerking draait dus in ‘t begin van
de veergroei “noodgedwongen“ op een laag
pitje waarbij er ook wel al melanocyten
sneuvelen en kleurreductie optreedt, maar
dan toch aanzienlijk minder dan wanneer de
volle eumelanineproductie na enige dagen is
bereikt. Fenomeen dat niet alleen
geldt voor grijsvleugels maar voor alle
pastellen, waarbij men normaal duidelijk
kan vaststellen dat de toppen van vnl. de
grote pennen steeds ietsdonkerder
gemelaniseerd zijn dan de overige
veergedeelten.
De donkere omzoming van de vleugeltoppen
zijn daarbij meestal zelfs iets breder en
donkerder, meer opvallend ook dan de
staartpentoppen, omdat ze waarschijnlijk ook
net iets eerder gevormd worden en bijgevolg
ook iets langer van de nodige kleurstof
verstoken blijven.
Bij niet-pastellen gebeurt eigenlijk
hetzelfde, maar dan wel met omgekeerd effect
waardoor de veertoppen in ‘t algemeen iets
lichter uitvallen dan de rest van de veer.
In beide gevallen, pastel en niet-pastel,
hebben we dus te maken met een zuiver
natuurlijk verschijnsel wat in normale
omstandigheden geen aanleiding zou mogen
zijn tot enig puntenverlies.
Met normale omstandigheden wordt dan wel
bedoeld dat de veertoppen van niet-pastellen
er ook weer niet te bleek (uitgeloogd) mogen
uitzien of bij pastellen als te donker mogen
overkomen, want dan zit het wel fout!
Raar maar waar, U zag het goed, ook
grijsvleugels zouden dus eigenlijk geen te
donkere veertoppen mogen vertonen, ook al
beweert de standaard tot op heden het
tegenovergestelde! Hoe donker ze dan wel
moeten zijn, is dus zeker niet zó donker als
algemeen wordt vooropgesteld nl. zo donker
mogelijk tot bijna zwart, maar eerder veel
lichter asgrijs in harmonie (zeer
belangrijk!) met het nog veel lichtere
parelgrijs van het centraal veergedeelte.
Hetzelfde geldt ook voor de rugmarmering
waarbij elke afzonderlijke marmering, elk
“pauwenoog” als dat duidelijker is, zou
moeten bestaan uit een zeer licht centraal
gedeelte en een iets donkerdere omzoming om
het geheel het nodige relief te bezorgen.
Waarom de veerranden bij goede grijsvleugels
niet donker kunnen en mogen zijn, lijkt
anders vrij logisch en moet terug gezocht
worden bij het melaninebezit (kwaliteit en
kwantiteit) van betreffende vogels zelf.
Eigenlijk komt het steeds op ‘t zelfde neer:
slechts bij voldoende eumelanine kan er ook
voldoende opbleking komen en verkrijgen
grijsvleugels het gevraagde patroon,
onvoldoende eumelaninebezit leidt slechts
tot streperigheid en onvoldoend-opgebleekte
pennen… met donkere toppen!
Het beste bewijs daartoe toont de praktijk,
waar het bij de grijsvleugelkweek steeds
opvalt hoe weinig goede exemplaren men
bekomt met tezelfdertijd een mooie
rugmarmering en donker omzoomde grote
pennen. Bitter weinig, want de meeste die
donkere omzomingen vertonen zijn tevens in
’t bezit van een minderwaardig, veelal
streperig rugdek. De beste grijsvleugels
zijn dan ook deze in ’t bezit van een
lichtgrijze hamering met iets meer donkere
contouren en veertoppen! Of m.a.w. de
zachtere types!
Bij grijsvleugels verdwijnt de klassieke
rugbestreping dus in ‘t beste geval volledig
om plaats te maken voor een mooi en
gelijkmatig verdeeld marmering- of
hamerslagpatroon of hoe men het ook noemen
wil. Helaas blijven ertussen de rugmarmering,
hoe mooi die ook mag wezen, vrij geregeld
melanineresten achter als min of meer
donkere stippen (punten) die naar alle
waarschijnlijkheid een bijkomend gevolg zijn
van de pastelwerking zelf, m.n. afgestorven
melanocyten die in hun geheel door groeiende
veertjes zijn opgenomen en die, wanneer ze
onregelmatig verdeeld zijn, vrij storend
kunnen overkomen. Ook al valt dat bij de
betere exemplaren, waarbij ze gewoonlijk
lichter zijn van tint en merkwaardig genoeg
ook in mindere mate lijken voor te komen,
meestal nog wel mee.
Een andere moeilijkheid bij grijsvleugels
vormt de flanktekening waarvan de bestreping
desondanks zichtbaar moet blijven. Van enige
marmering in de flanken is er tot nog toe
geen sprake, al durven we die mogelijkheid,
mits strenge selectieve kweekvoorwaarden,
niet zomaar uitsluiten. Ook al is er het
besef dat die kans eerder klein is, omdat
een doorsnee flankmelanisatie ook klassiek
normaal steeds zwakker uitvalt dan een
equivalente rugtekening.
Maar de stelling dat dit niet zou kunnen
omdat de contourveren in de flanken daartoe
doorgaans te lang zouden zijn en daardoor te
veel bruine phaeomelanine zouden bevatten,
geloven we niet. We zijn eerder van het
tegenovergestelde overtuigd nl. dat er juist
rondom elke afzonderlijke marmering
(pauwenoog) ook een beperkte hoeveelheid
phaeobruin in de begrenzing moet aanwezig
zijn om een patroon met voldoende aftekening
en reliëf te kunnen bekomen. Wat tevens ook
aantoont waarom de mooiste grijsvleugels
voorkomen bij de half intensieven tot matig
schimmels vnl. wegens hun natuurlijk bezit
aan juist voldoende bruine phaeomelanine!
Het verschil tussen intensieve en schimmel
grijsvleugels is anders ook vrij groot.
Schimmels zijn over ‘t algemeen aanzienlijk
beter gemarmerd doch hun pennen zijn nog wel
eens te weinig opgebleekt. Bij intensieve
daarentegen zien we veelal het omgekeerde,
sterk opgebleekte staart- en vleugelpennen
maar vaak onvoldoende tot slechte marmering,
waarbij de pauwogen vaak te klein uitvallen
en de opblekingen ertussen te groot worden..
De gulden middenweg in vnl. veerlengte is
hier dus zeker aangewezen.
Grijsvleugels met gestreepte rugtekening en
opgebleekte pennen noemt men
grijsvleugeltype, waarvoor geen
standaardeisen voorzien zijn en zodus steeds
als foutief moeten beoordeeld worden.
Een duidelijk bewijs dat om goede
grijsvleugels te bekomen er oorspronkelijk
wel degelijk naast heel veel zwarte
eumelanine ook voldoende bruine
phaeomelanine moet aanwezig zijn, bewijst
het feit dat vnl. jonge grijsvleugelmannen
vóór de jeugdrui, wanneer beide melanines
nog overvloedig aanwezig zijn, over ‘t
algemeen wél een degelijk gemarmerd
rugpatroon vertonen dat echter met de kleine
rui wel eens verdwijnt. Als een rechtstreeks
gevolg van het geslachtsdimorfisme dat zijn
kop opsteekt waarbij hoofdzakelijk
phaeobruin wordt gereduceerd.
Bij jonge grijsvleugelpopjes ligt het dan
weer anders en zijn in dat opzicht te
vergelijken met agaatpastellen. Ze bezitten
meestal wel (meer dan) genoeg phaeomelanine
maar daarentegen te weinig zwarte eumelanine
om een aanvaardbaar patroon mogelijk te
maken, waardoor op enkele uitzonderingen na,
hun rugdek streperig is en blijft.
Vandaar ook dat de betere grijsvleugels
steeds mannen zijn en er voorlopig nog
weinig of niet van volwaardige
grijsvleugelpoppen kan gesproken worden …
tenzij men natuurlijk zowel de kwantiteit
als de kwaliteit van hun eumelanisatie
gevoelig weet te verhogen… misschien via de
onyx, wie zal het zeggen?
Waar we het nog niet over gehad hebben is de
eventuele invloed van de blauwfactor,
wiens rol bij het bekomen van een mooi
grijsvleugelpatroon wel eens veel voornamer
zou kunnen zijn dan algemeen wordt gedacht.
De blauwfactor of citroenfactor zorgt langs
de ene kant voor een (kunstmatige!)
verdonkering van de zwarte eumelanisatie,
maar kan er langs de andere kant ook toe
bijdragen dat er nog slechts heel weinig
bruine phaeomelanine overblijft in de
contouren, waardoor betreffende vogel in
zijn kleurtotaliteit eerder schraal (flets)
zal aandoen. Of m.a.w. twee eigenschappen
die bij overdaad het grijsvleugelpatroon
ongetwijfeld zullen schaden zodat een
aangepaste, middelmatige blauwstructuur
welke nog juist voldoende phaeobruin
overlaat, eerder wenselijk lijkt.
In de volgende aflevering een aantal
raadgevingen bij de kweek met grijsvleugels.
Door Jacky Beliën en Jean Kenens
Keurmeesters K.B.O.F.
|
-
|