De Pastelfactor (deel 1).

Bruinpastel Geelivoorschimmel.
Inleiding:
Mutatie
in
Nederland
ontstaan
rond
1957
bij
een
isabelkweker
en
gekenmerkt
door
een
opvallend
zachte
en
gelijkmatige
beigekleurige
melanisatie,
vergelijkbaar
met
de
zachte
tint
van
pastelverf.
Vandaar
waarschijnlijk
ook
de
naam.
De
pastelfactor
lijkt
net
als
de
satinetfactor
mysterieus.
Factoren
waarover
dan
ook
nog
niet
alles
is
gezegd
en
geschreven.
Vooral
het
al
dan
niet
samengaan
met
de
grijsvleugelvariëteit
alsmede
de
juiste
verervingsvorm
van
deze
laatste
geeft
ook
op
de
dag
van
heden
nog
steeds
aanleiding
tot
discussie.
Er
zijn
daartoe
reeds
verschillende
meningen
naar
voor
gebracht.
O.a.
al
dan
niet
volledig
geslachtsgebonden,
al
dan
niet
volledig
onafhankelijk,
een
multiple
allele
verervingsvorm
zoals
bij
de
satinet,
met
het
grijsvleugeltype
als
intermediaire
vorm
of
ook
nog
de
laatste
nieuwe
trend
waar
pastel
en
grijsvleugel
elk
door
een
afzonderlijk
gen
zouden
vertegenwoordigd
zijn.
Het
eerstgenoemde
geslachtsgebonden
verervend
en
recessief
en
‘t
andere
vrij
met
een
intermediair
recessief
karakter
waarbij
het
tweede
gen
geen
enkel
effect
zou
hebben
zonder
aanwezigheid
van
‘t
eerstgenoemde.
O.k.
een
heleboel
veronderstellingen,
een
“soep”
zeg
maar,
waarvan
ik u
voor
alle
duidelijkheid
en
volledigheid
toch
de
voornaamste
“ingrediënten”
niet
heb
willen
onthouden.
Ook
al
lijkt
het
me
zelf
allemaal
veel
minder
ingewikkeld
dan
algemeen
wordt
verondersteld,
maar
dat
zien
we
verder
wel.

Isabelpastel Wit.
Factorwerking:
de
pastelfactor
wordt
na
de
klassieke
agaat-isabelcombinatie,
de
tweede
reductiefactor
genoemd
waarbij
de
zwarte
en
bruine
eumelaninen
worden
gereduceerd.
De
inwerking
laat
zich
schijnbaar
het
sterkst
en
opvallendst
gevoelen
op
de
bruine
eumelanine
die
in
tegenstelling
tot
de
zwarte,
grotendeels
tot
zelfs
volledig
verdwijnt.
De
bruine
phaeomelanine
daarentegen
zou
volgens
menig
onderzoeker
onveranderd,
onaangetast
blijven,
al
zou
het
mij
helemaal
niet
verwonderen
dat
ook
zij
licht
wordt
gereduceerd.
Hoe
anders
verklaren
waarom
de
mooiste
bruinpastelpoppen
doorgaans
aanzienlijk
minder
bruin
lijken
dan
hun
klassieke
zusters?
Alleen
omdat
de
meeste
bruine
eumelanine
er
wordt
verdrongen
lijkt
me
niet
volledig
overtuigend
omdat
het
vooral
die
plaatsen
zijn
met
normale
phaeomelanine
uiting
waar
ogenschijnlijk
kleurterugloop
optreedt,
zoals
o.a.
in
de
contouren.
De
Franse
bioloog,
M.
Pomerade,
blijkt
trouwens
mijn
mening
te
delen,
waar
hij
in
zijn
boek
“Le
Canari”
o.a.
stelt
dat
de
gebruikelijke
afkorting
voor
de
pastelfactor
(rz)
voor
reductie
zwart,
in
feite
een
ongelukkige
keuze
is
geweest,
aangezien
niet
alleen
de
zwarte
eumelanine
wordt
gereduceerd,
maar
tevens
alle
melanine.
Vandaar
om
het
tot
beter
weten
best
te
houden
bij
een
waarschijnlijk
onaangetaste
phaeomelanine!
De
eigenlijke
pastelfactorwerking
zou
hoofdzakelijk
berusten
op
een
overproductie
van
eumelanine,
het
niet
tijdig
stoppen
van
de
levering
m.n.,
waarbij
voornamelijk
de
korrels
in
min
of
meerdere
mate
in
grootte
toenemen
tot
zelfs
ongeveer
het
dubbele
van
bij
niet
pastellen.
Hierdoor
gaan
meerdere
melaninecellen
of
melanocyten,
afhankelijk
van
de
kleurslag,
opzwellen,
openbarsten
en
afsterven,
waarbij
ook
‘hun
lading’
aan
melanine
verloren
gaat.
De
gevolgen
laten
zich
gemakkelijk
raden.
Er
ontstaat
niet
alleen
melanineverlies
en
bijgevolg
ook
kleuropbleking,
maar
ook
de
verdeling
van
de
overgebleven
eumelanine
wordt
deels
in
de
war
gestuurd
omdat
de
bij
de
verloren
gegane
melaninecellen
horende
dendrieten,
langwerpige
uitsteeksels
waarlangs
de
kleurstof
in
normale
omstandigheden
gelijkmatig
in
de
groeiende
veer
wordt
verspreid,
mede
hetzelfde
lot
ondergaan.
De
doorgaans
vrij
onregelmatige
melanineligging
in
veerschachten
en
baarden
van
pastellen
vormt
daar
het
beste
bewijs
toe.
Bij
pastellen
hebben
we
dus
eigenlijk
te
maken
met
een
controverse
waarbij
een
oorspronkelijke
overproductie
aan
eumelanine,
wat
wel
eens
op
een
plusmutatie
zou
kunnen
wijzen,
uiteindelijk
steeds
resulteert
in
een
reductie
ervan!
Met
onder
andere
als
gevolg
dat
de
pastelfactor,
naast
zijn
hoofdeigenschap
van
voornamelijk
de
eumelanine
te
reduceren,
verder
ook
nog
een
contrastverminderend,
kleurnivellerend
karakter
inhoudt.
Verder
wordt
van
dezelfde
factor
ook
beweerd,
een
vrij
onstabiele,
onregelmatige
werking
te
bezitten
of
m.a.w.
zowat
onvoorspelbaar
te
zijn.
Wat
ik
overigens
slechts
ten
dele
kan
beamen,
omdat
naar
mijn
bescheiden
mening
de
oorzaak
daartoe
eerst
en
vooral
moet
gezocht
worden
bij
de
veelal
aanzienlijke
melanine
verschillen
onder
de
vogels
zelf,
ook
al
behoren
ze
tot
dezelfde
kleurgroep.
Zo
zou
een
isabelpastel
met
tekeningresten
over
een
slecht
werkende
pastelfactor
beschikken
en
eenzelfde
vogel
zonder
bestrepingsresten
over
een
goede,
daar
waar
de
factorinvloed
in
beide
gevallen
net
zo
goed
dezelfde
kan
zijn!
Of
m.a.w.,
lijkt
het
mij
niet
alleen
het
verschil
in
factorwerking
maar
voornamelijk
ook
het
genetisch
verschil
in
melaninebezit
(hoeveelheid
en
korrelomvang)
wat
hoofdzakelijk
zal
bepalen
of
er
bij
pastellen
al
dan
niet
tekening
overblijft
en
hoeveel!
Vandaar
hoe
belangrijk
het
is
om
bij
het
opzetten
en
ontwikkelen
van
vooral
nieuwe
kleurmutaties
niet
zomaar
te
gaan
experimenteren
met
partners
van
mindere
kwaliteit,
wat
helaas
meer
gebeurt,
maar
om
steeds
goede
fokzuivere
klassieke
stamvogels
als
basis
te
gebruiken
waarvan
hun
eigenschappen
grotendeels
bekend
zijn.
Op
die
manier
mag
niet
alleen
gehoopt
worden
op
optimale
resultaten
qua
jonge
vogels,
maar
zal
achteraf
ook
de
werking
van
de
nieuwe
factor
zelf
met
meer
objectiviteit
en
zekerheid
kunnen
beoordeeld
worden.
Dit
geldt
trouwens
voor
alle
kleurfactoren,
klassiek
of
nieuw!
Bij
klassieke
kanaries
kan
men
ongeveer
stellen
dat
hoe
groter
de
aanmaak
van
eumelanine,
hoe
duidelijker
de
tekening
zich
zal
voordoen.
Bij
pastellen
zou
men
dus
eigenlijk
in
eerste
instantie
het
omgekeerde
mogen
verwachten,
m.n.
dat
juist
die
types
met
een
‘van
huize
uit’
sterk
eumelaninebezit
en
met
bijgevolg
zo
reeds
vrij
veel
druk
in
die
cellen,
onder
bijkomende
invloed
van
de
pastelwerking
ook
het
meest
aan
melanine
gaan
verliezen
en
bijgevolg
het
minst
aan
tekening
zullen
overhouden.
Wat
ook
zo
is,
al
manifesteert
het
zich
niet
steeds
even
duidelijk.
Sterk
gemelaniseerden
zullen
inderdaad
onder
dezelfde
factorinvloed,
in
verhouding,
meer
aan
eumelanine
verliezen
en
minder
aan
tekening
overhouden
dan
licht
getekenden.
Maar
hier
houdt
elk
gemeenschappelijk
vergelijk
dan
ook
op
en
moet
de
invloed
van
de
pastelfactor
op
bruin-
en
zwartgemelaniseerden
verder
afzonderlijk
worden
bekeken
omdat
de
resultaten
er
te
verschillend
uitzien.
Wat
er
op
neerkomt
dat
bruingemelaniseerde
pastellen
(bruin
en
isabel)
in
’t
algemeen,
intensieve
exemplaren
uitgezonderd,
weinig
of
geen
bestreping
overhouden.
1.jpg)
Zwartpastel Geelschimmel (4 weken).
Zwartgemelaniseerde
pastellen
(zwart
en
agaat)
zullen
met
uitzondering
van
de
grijsvleugels
meestal
wel
nog
een
duidelijke
en
volledige
tekening
vertonen.
Het
al
dan
niet
overhouden
van
klassieke
bestrepingsrestanten
ervan,
hangt,
naast
de
pastelfactorwerking
zelf
en
het
aanbod
aan
eumelanine,
verder
af
van
de
gezamenlijke
invloed
van
een
drietal
andere
indirect
beïnvloedende
factoren
zoals;
omgevende
bruine
phaeomelanine,
hoeveelheid
intensiviteit
of
schimmel,
al
dan
niet
aanwezige
klassieke
blauwstructuur.
Waaruit
duidelijk
blijkt
dat
het
kweken
van
goede
pastellen
eigenlijk
wel
een
moeilijke
aangelegenheid
is
waarbij
de
resultaten
steeds
afhangen
van
een
samenspel
van
meerdere
vrij
onberekenbare
factoren,
waardoor
ook
moeilijk
voorspelbaar.
Deel
2;
de
invloed
van
de
pastelfactor
in
de
praktijk
op
de
Isabellen,
de
Bruinen
en
de
Agaten.
Jacky
Beliën
en
Jean
Kenens,
Keurmeesters
K.B.O.F. |