Grijsvleugels:

 

(oorspronkelijk artikel van link)

De Pastelfactor (deel 1).

 

 

 

Geschreven door Administrator   

zaterdag, 27 augustus 2005

De Pastelfactor (deel 1).

Bruinpastel Geelivoorschimmel.
 

Inleiding: Mutatie in Nederland ontstaan rond 1957 bij een isabelkweker en gekenmerkt door een opvallend zachte en gelijkmatige beigekleurige melanisatie, vergelijkbaar met de zachte tint van pastelverf. Vandaar waarschijnlijk ook de naam. De pastelfactor lijkt net als de satinetfactor mysterieus. Factoren waarover dan ook nog niet alles is gezegd en geschreven. Vooral het al dan niet samengaan met de grijsvleugelvariëteit alsmede de juiste verervingsvorm van deze laatste geeft ook op de dag van heden nog steeds aanleiding tot discussie. Er zijn daartoe reeds verschillende meningen naar voor gebracht.
O.a. al dan niet volledig geslachtsgebonden, al dan niet volledig onafhankelijk, een multiple allele verervingsvorm zoals bij de satinet, met het grijsvleugeltype als intermediaire vorm of ook nog de laatste nieuwe trend waar pastel en grijsvleugel elk door een afzonderlijk gen zouden vertegenwoordigd zijn. Het eerstgenoemde geslachtsgebonden verervend en recessief en ‘t andere vrij met een intermediair recessief karakter waarbij het tweede gen geen enkel effect zou hebben zonder aanwezigheid van ‘t eerstgenoemde. O.k. een heleboel veronderstellingen, een “soep” zeg maar, waarvan ik u voor alle duidelijkheid en volledigheid toch de voornaamste “ingrediënten” niet heb willen onthouden. Ook al lijkt het me zelf allemaal veel minder ingewikkeld dan algemeen wordt verondersteld, maar dat zien we verder wel.
 


 
Isabelpastel Wit.
 

Factorwerking: de pastelfactor wordt na de klassieke agaat-isabelcombinatie, de tweede reductiefactor genoemd waarbij de zwarte en bruine eumelaninen worden gereduceerd. De inwerking laat zich schijnbaar het sterkst en opvallendst gevoelen op de bruine eumelanine die in tegenstelling tot de zwarte, grotendeels tot zelfs volledig verdwijnt. De bruine phaeomelanine daarentegen zou volgens menig onderzoeker onveranderd, onaangetast blijven, al zou het mij helemaal niet verwonderen dat ook zij licht wordt gereduceerd.
Hoe anders verklaren waarom de mooiste bruinpastelpoppen doorgaans aanzienlijk minder bruin lijken dan hun klassieke zusters? Alleen omdat de meeste bruine eumelanine er wordt verdrongen lijkt me niet volledig overtuigend omdat het vooral die plaatsen zijn met normale phaeomelanine uiting waar ogenschijnlijk kleurterugloop optreedt, zoals o.a. in de contouren. De Franse bioloog, M. Pomerade, blijkt trouwens mijn mening te delen, waar hij in zijn boek “Le Canari” o.a. stelt dat de gebruikelijke afkorting voor de pastelfactor (rz) voor reductie zwart, in feite een ongelukkige keuze is geweest, aangezien niet alleen de zwarte eumelanine wordt gereduceerd, maar tevens alle melanine. Vandaar om het tot beter weten best te houden bij een waarschijnlijk onaangetaste phaeomelanine!
De eigenlijke pastelfactorwerking zou hoofdzakelijk berusten op een overproductie van eumelanine, het niet tijdig stoppen van de levering m.n., waarbij voornamelijk de korrels in min of meerdere mate in grootte toenemen tot zelfs ongeveer het dubbele van bij niet pastellen. Hierdoor gaan meerdere melaninecellen of melanocyten, afhankelijk van de kleurslag, opzwellen, openbarsten en afsterven, waarbij ook ‘hun lading’ aan melanine verloren gaat. De gevolgen laten zich gemakkelijk raden. Er ontstaat niet alleen melanineverlies en bijgevolg ook kleuropbleking, maar ook de verdeling van de overgebleven eumelanine wordt deels in de war gestuurd omdat de bij de verloren gegane melaninecellen horende dendrieten, langwerpige uitsteeksels waarlangs de kleurstof in normale omstandigheden gelijkmatig in de groeiende veer wordt verspreid, mede hetzelfde lot ondergaan. De doorgaans vrij onregelmatige melanineligging in veerschachten en baarden van pastellen vormt daar het beste bewijs toe.
Bij pastellen hebben we dus eigenlijk te maken met een controverse waarbij een oorspronkelijke overproductie aan eumelanine, wat wel eens op een plusmutatie zou kunnen wijzen, uiteindelijk steeds resulteert in een reductie ervan! Met onder andere als gevolg dat de pastelfactor, naast zijn hoofdeigenschap van voornamelijk de eumelanine te reduceren, verder ook nog een contrastverminderend, kleurnivellerend karakter inhoudt. Verder wordt van dezelfde factor ook beweerd, een vrij onstabiele, onregelmatige werking te bezitten of m.a.w. zowat onvoorspelbaar te zijn. Wat ik overigens slechts ten dele kan beamen, omdat naar mijn bescheiden mening de oorzaak daartoe eerst en vooral moet gezocht worden bij de veelal aanzienlijke melanine verschillen onder de vogels zelf, ook al behoren ze tot dezelfde kleurgroep. Zo zou een isabelpastel met tekeningresten over een slecht werkende pastelfactor beschikken en eenzelfde vogel zonder bestrepingsresten over een goede, daar waar de factorinvloed in beide gevallen net zo goed dezelfde kan zijn! Of m.a.w., lijkt het mij niet alleen het verschil in factorwerking maar voornamelijk ook het genetisch verschil in melaninebezit (hoeveelheid en korrelomvang) wat hoofdzakelijk zal bepalen of er bij pastellen al dan niet tekening overblijft en hoeveel!
Vandaar hoe belangrijk het is om bij het opzetten en ontwikkelen van vooral nieuwe kleurmutaties niet zomaar te gaan experimenteren met partners van mindere kwaliteit, wat helaas meer gebeurt, maar om steeds goede fokzuivere klassieke stamvogels als basis te gebruiken waarvan hun eigenschappen grotendeels bekend zijn. Op die manier mag niet alleen gehoopt worden op optimale resultaten qua jonge vogels, maar zal achteraf ook de werking van de nieuwe factor zelf met meer objectiviteit en zekerheid kunnen beoordeeld worden. Dit geldt trouwens voor alle kleurfactoren, klassiek of nieuw! Bij klassieke kanaries kan men ongeveer stellen dat hoe groter de aanmaak van eumelanine, hoe duidelijker de tekening zich zal voordoen.
Bij pastellen zou men dus eigenlijk in eerste instantie het omgekeerde mogen verwachten, m.n. dat juist die types met een ‘van huize uit’ sterk eumelaninebezit en met bijgevolg zo reeds vrij veel druk in die cellen, onder bijkomende invloed van de pastelwerking ook het meest aan melanine gaan verliezen en bijgevolg het minst aan tekening zullen overhouden. Wat ook zo is, al manifesteert het zich niet steeds even duidelijk. Sterk gemelaniseerden zullen inderdaad onder dezelfde factorinvloed, in verhouding, meer aan eumelanine verliezen en minder aan tekening overhouden dan licht getekenden. Maar hier houdt elk gemeenschappelijk vergelijk dan ook op en moet de invloed van de pastelfactor op bruin- en zwartgemelaniseerden verder afzonderlijk worden bekeken omdat de resultaten er te verschillend uitzien. Wat er op neerkomt dat bruingemelaniseerde pastellen (bruin en isabel) in ’t algemeen, intensieve exemplaren uitgezonderd, weinig of geen bestreping overhouden.


Zwartpastel Geelschimmel (4 weken).

Zwartgemelaniseerde pastellen (zwart en agaat) zullen met uitzondering van de grijsvleugels meestal wel nog een duidelijke en volledige tekening vertonen. Het al dan niet overhouden van klassieke bestrepingsrestanten ervan, hangt, naast de pastelfactorwerking zelf en het aanbod aan eumelanine, verder af van de gezamenlijke invloed van een drietal andere indirect beïnvloedende factoren zoals; omgevende bruine phaeomelanine, hoeveelheid intensiviteit of schimmel, al dan niet aanwezige klassieke blauwstructuur. Waaruit duidelijk blijkt dat het kweken van goede pastellen eigenlijk wel een moeilijke aangelegenheid is waarbij de resultaten steeds afhangen van een samenspel van meerdere vrij onberekenbare factoren, waardoor ook moeilijk voorspelbaar.
Deel 2; de invloed van de pastelfactor in de praktijk op de Isabellen, de Bruinen en de Agaten.
Jacky Beliën en Jean Kenens,
Keurmeesters K.B.O.F.