Grijsvleugels:

 

(oorspronkelijk artikel van link)

De Pastelfactor (deel 2).      
Geschreven door Administrator   
maandag, 12 september 2005
De Pastelfactor (deel 2). 

Bruinpastel Roodivoorschimmel
(Foto: D. Beekman).
 
In praktijk betekent het, dat onder invloed van de pastelfactor:
Isabellen met hun van nature uit zacht beige-bruine tekening, als het goed is, volledig bestrepingsvrij worden gemaakt, uitzonderingen niet te na gesproken. En dat zijn dan vooral intensieve mannen die vnl. door het phaeobruin verdringend karakter van beide factoren, intensief- en blauwfactor, onder die omstandigheden nog wel eens bestreping overhouden.
Bij poppen, wiens oorspronkelijk bezit aan eumelanine in ’t algemeen minder sterk is maar daarentegen doorgaans aanzienlijk meer omliggende phaeomelanine vertonen (geslachtsdimorfisme), komen bestrepingsrestanten veel minder voor. En als er dan toch al eens zouden zijn, worden ze meestal wel op afdoende wijze in het omliggend phaeobruin opgelost en verdoezeld.
De klassieke blauwfactor bezorgt de bestreping een hardere, iets meer donkere tint, waardoor meer opvallend, en reduceert en verhardt (vergrijst) het phaeobruin in de contouren. Contouren die bij isabelpastellen, als het goed is, volledig egaal vloeiend lichtbeige-bruin overgoten blijven en waarbij het bovenste gedeelte (rug) steeds iets bruiner zal overkomen dan de onderkant (flanken en borst). Bij intensieve exemplaren is er van vloeien meestal weinig of geen sprake. De contouren zijn er doorgaans bruin-vrij opgebleekt en lichte (niet storende) bestrepingsrestanten worden er getollereerd.
De donskleur is lichtbeige, de hoorndelen zijn vleeskleurig en de ogen isabelkleurig (licht roodbruin)
Bruinen: best vergelijkbaar met isabellen, alleen blijft er na inwerking van de pastelfactor doorgaans meer tekening over. Logisch eigenlijk als we vaststellen dat de bestrepingskleur van de doorsnee hedendaagse klassieke bruine kanarie eerder zwart dan bruin aandoet! Bruinpastellen bezitten verder egaal warmbruine contouren, waarbij op de borst steeds enige grondkleur tot uiting moet komen. Melanisatie in pennen en contouren moeten daarbij steeds een egaal vloeiend warm bruin geheel vormen, met natuurlijk ook hier weer uitzondering voor de intensieve mannen die op een omzeggens bruinvrij rugdek gewoonlijk ook nog enige bestreping laten zien. De donskleur is donker grijs, de hoorndelen zijn vleeskleurig bruin en de ogen zijn roodbruin.

Agaatpastel Wit (Foto: D. Beekman).

Agaten, in bepaalde gevallen, een afwijkende kleuruiting gaan vertonen t.o.v. isabel- en bruinpastellen, waarbij vergelijk grotendeels ophoudt. Bij de agaatpastellen is er natuurlijk ook factorinvloed merkbaar of m.a.w. melaninereductie en tekeningsverlies, maar dan van uiteenlopende aard, met twee mogelijkheden:
1 Agaten met een gewone melanisatie, de doorsnee agaat, zeg maar, die als agaatpastel een veelal iets lichtere, meer onderbroken, iets wazige en enigszins verzonken grijs-zwarte tekening bekomen.
2 Agaten met een oorspronkelijk sterk, tot zeer sterk zwartbezit waarbij onder invloed van de pastelfactor soms zoveel aan zwarte eumelanine ‘sneuvelt’ dat er wel eens bijkomende grijsachtige opblekingen kunnen ontstaan, centraal in de grote pennen van voornamelijk de vleugels. Ze vormen de ‘voorlopers’ van de grijsvleugels die we verder nog afzonderlijk zullen bespreken. In beide gevallen mogen de van nature uit iets lichtere en iets bredere veerranden bij agaatpastellen niet storend overkomen. De donskleur is bijna zwart, de ogen zijn donker en de hoorndelen zijn licht grijs. Typisch hierbij is dat de donskleur van agaatpastellen veel donkerder (bijna zwart) overkomt dan bij zwartpastellen (grijs tot zelfs lichtgrijs bij grijsvleugels).
Waarom het “grijsvleugel”-verschijnsel nu juist zijn kop opsteekt bij agaatpastellen en bijvoorbeeld niet bij isabel- en /of bruinpastellen heeft volledig te maken, U raadt het reeds, met de hoeveelheid aangemaakte eumelanine en vooral de korrelgrootte of m.a.w. de ‘overdruk’ die ontstaat in de respectievelijke melaninecellen en de hoeveelheid melanine die er door verloren gaat.
En zoals uit onderstaande tabel duidelijk blijkt, zijn de melaninekorrels bij klassieke isabellen en bruinen, in verhouding tot agaten en zwarten, gewoon van meet af aan niet groot genoeg om daartoe met behulp van de pastelfactor voldoende melaninenverlies te kunnen veroorzaken.
De waardes in de tabel zijn ten dele overgenomen uit het baanbrekend werk van F.M. Kop en werden via microscopisch onderzoek vastgelegd.

  Eumelaninebezitbij klassieken Max. korrelgrootte in µm Vorm
Zwarte wildvorm 100 %   ± 3.1 µm op 0,75 µm Lang ovaal
Agaat  ± 90% ± 2.9 µm op 0,4 µm   Lang ovaal
Bruin  100% ± 0,9 µm op 0,4 µm Ovaal
Isabel ± 90%  ± 0,9 µm op 0,4 µm Ovaal
Satinet  ± 35%   ± 0,7 µm op 0,4 µm   Ovaal tot rond


In deel 3: de pastelinvloed op de zwartreeks: Zwartpastel grijsvleugel.
Jacky Beliën en Jean Kenens,
Keurmeesters K.B.O.F.