De
Pastelfactor
(deel 2).

Bruinpastel
Roodivoorschimmel
(Foto: D.
Beekman).
In praktijk betekent
het, dat onder
invloed van de
pastelfactor:
Isabellen met hun
van nature uit zacht
beige-bruine
tekening, als het
goed is, volledig
bestrepingsvrij
worden gemaakt,
uitzonderingen niet
te na gesproken. En
dat zijn dan vooral
intensieve mannen
die vnl. door het
phaeobruin
verdringend karakter
van beide factoren,
intensief- en
blauwfactor, onder
die omstandigheden
nog wel eens
bestreping
overhouden.
Bij poppen, wiens
oorspronkelijk bezit
aan eumelanine in ’t
algemeen minder
sterk is maar
daarentegen
doorgaans
aanzienlijk meer
omliggende
phaeomelanine
vertonen (geslachtsdimorfisme),
komen
bestrepingsrestanten
veel minder voor. En
als er dan toch al
eens zouden zijn,
worden ze meestal
wel op afdoende
wijze in het
omliggend phaeobruin
opgelost en
verdoezeld.
De klassieke
blauwfactor bezorgt
de bestreping een
hardere, iets meer
donkere tint,
waardoor meer
opvallend, en
reduceert en
verhardt (vergrijst)
het phaeobruin in de
contouren. Contouren
die bij
isabelpastellen, als
het goed is,
volledig egaal
vloeiend
lichtbeige-bruin
overgoten blijven en
waarbij het bovenste
gedeelte (rug)
steeds iets bruiner
zal overkomen dan de
onderkant (flanken
en borst). Bij
intensieve
exemplaren is er van
vloeien meestal
weinig of geen
sprake. De contouren
zijn er doorgaans
bruin-vrij
opgebleekt en lichte
(niet storende)
bestrepingsrestanten
worden er
getollereerd.
De donskleur is
lichtbeige, de
hoorndelen zijn
vleeskleurig en de
ogen isabelkleurig
(licht roodbruin)
Bruinen: best
vergelijkbaar met
isabellen, alleen
blijft er na
inwerking van de
pastelfactor
doorgaans meer
tekening over.
Logisch eigenlijk
als we vaststellen
dat de
bestrepingskleur van
de doorsnee
hedendaagse
klassieke bruine
kanarie eerder zwart
dan bruin aandoet!
Bruinpastellen
bezitten verder
egaal warmbruine
contouren, waarbij
op de borst steeds
enige grondkleur tot
uiting moet komen.
Melanisatie in
pennen en contouren
moeten daarbij
steeds een egaal
vloeiend warm bruin
geheel vormen, met
natuurlijk ook hier
weer uitzondering
voor de intensieve
mannen die op een
omzeggens bruinvrij
rugdek gewoonlijk
ook nog enige
bestreping laten
zien. De donskleur
is donker grijs, de
hoorndelen zijn
vleeskleurig bruin
en de ogen zijn
roodbruin.

Agaatpastel Wit
(Foto: D.
Beekman).
Agaten, in bepaalde
gevallen, een
afwijkende
kleuruiting gaan
vertonen t.o.v.
isabel- en
bruinpastellen,
waarbij vergelijk
grotendeels ophoudt.
Bij de
agaatpastellen is er
natuurlijk ook
factorinvloed
merkbaar of m.a.w.
melaninereductie en
tekeningsverlies,
maar dan van
uiteenlopende aard,
met twee
mogelijkheden:
1 Agaten met een
gewone melanisatie,
de doorsnee agaat,
zeg maar, die als
agaatpastel een
veelal iets
lichtere, meer
onderbroken, iets
wazige en enigszins
verzonken
grijs-zwarte
tekening bekomen.
2 Agaten met een
oorspronkelijk
sterk, tot zeer
sterk zwartbezit
waarbij onder
invloed van de
pastelfactor soms
zoveel aan zwarte
eumelanine
‘sneuvelt’ dat er
wel eens bijkomende
grijsachtige
opblekingen kunnen
ontstaan, centraal
in de grote pennen
van voornamelijk de
vleugels. Ze vormen
de ‘voorlopers’ van
de grijsvleugels die
we verder nog
afzonderlijk zullen
bespreken. In beide
gevallen mogen de
van nature uit iets
lichtere en iets
bredere veerranden
bij agaatpastellen
niet storend
overkomen. De
donskleur is bijna
zwart, de ogen zijn
donker en de
hoorndelen zijn
licht grijs. Typisch
hierbij is dat de
donskleur van
agaatpastellen veel
donkerder (bijna
zwart) overkomt dan
bij zwartpastellen
(grijs tot zelfs
lichtgrijs bij
grijsvleugels).
Waarom het
“grijsvleugel”-verschijnsel
nu juist zijn kop
opsteekt bij
agaatpastellen en
bijvoorbeeld niet
bij isabel- en /of
bruinpastellen heeft
volledig te maken, U
raadt het reeds, met
de hoeveelheid
aangemaakte
eumelanine en vooral
de korrelgrootte of
m.a.w. de ‘overdruk’
die ontstaat in de
respectievelijke
melaninecellen en de
hoeveelheid melanine
die er door verloren
gaat.
En zoals uit
onderstaande tabel
duidelijk blijkt,
zijn de
melaninekorrels bij
klassieke isabellen
en bruinen, in
verhouding tot
agaten en zwarten,
gewoon van meet af
aan niet groot
genoeg om daartoe
met behulp van de
pastelfactor
voldoende
melaninenverlies te
kunnen veroorzaken.
De waardes in de
tabel zijn ten dele
overgenomen uit het
baanbrekend werk van
F.M. Kop en werden
via microscopisch
onderzoek
vastgelegd.
| |
Eumelaninebezitbij
klassieken |
Max.
korrelgrootte
in µm |
Vorm
|
|
Zwarte
wildvorm |
100 % |
± 3.1 µm
op 0,75
µm |
Lang
ovaal |
|
Agaat |
±
90% |
± 2.9 µm
op 0,4
µm |
Lang
ovaal |
|
Bruin |
100% |
± 0,9 µm
op 0,4
µm |
Ovaal |
|
Isabel |
± 90% |
± 0,9 µm
op 0,4
µm |
Ovaal |
|
Satinet |
±
35% |
± 0,7 µm
op 0,4
µm |
Ovaal
tot rond |
In deel 3: de
pastelinvloed op de
zwartreeks:
Zwartpastel
grijsvleugel.
Jacky Beliën en Jean
Kenens,
Keurmeesters K.B.O.F. |